Is het vandaag precies.
Dat ik om 8.45 uur een telefoontje kreeg van een onbekende man.
Die me vertelde dat manlief een ongeluk had gehad en dat hij beklemd zat in z’n auto. Omdat er een trekker overheen gereden was.
Mijn adem stokte.
Manlief was nog wel ‘bij’ en ik kreeg hem aan de lijn.
Veel zinnigs kwam er niet uit dus ik vroeg die onbekende meneer terug en die legde me uit waar het ongeluk gebeurd was.
Ik trok de toen tweejarige Anne haar laarsjes aan en dropte haar in razend tempo bij een buurvrouw.
En reed met kloppend hart naar de plek des onheils.
Daar aangekomen landde er net een traumahelikopter. Ook al zo’n adembenemend moment.
Ik dacht letterlijk: ‘daar gaat ie dan, straks ben ik weduwe.’
Met een peuter en een baby onderweg. Lekker dan.
De brandweer was druk doende manlief uit te zagen en ik stond anderhalf uur in de natte sneeuw te wachten tot ze zover waren.
Ik werd opgevangen door een aardige politieagent. Die af en toe ging kijken hoe het er mee stond.
Toen manlief eindelijk vrij was, werd in de ambulance nagekeken of hij stabiel was. Ik mocht voorin plaatsnemen en kiezen naar welk ziekenhuis ik wilde. Het UMC (Utrecht) of het ziekenhuis in Tiel.
‘Doe maar het UMC’, murmelde ik, denkend dat een groot ziekenhuis in ieder geval alle faciliteiten kon bieden. ‘Goede keus,’ vond de ambulancechauffeur.
De vriendelijke agent bood aan mijn auto voor me naar huis te brengen. Dankbaar gaf ik hem mijn sleutelbos. Waarop hij suggereerde dat ik alleen de autosleutel zou geven en de huissleutels zelf zou houden. Zodat ik ook nog naar binnen kon. Tja, logisch denken is op zo’n moment iets teveel van me gevraagd.
Onderweg naar het ziekenhuis belde ik mijn zwager om hem op te hoogte te brengen en te vragen of hij iedereen wilde bellen.
En belde de buurvrouw dat het nog wel even kon gaan duren, dat was gelukkig geen probleem.
In het UMC werd manlief naar het traumacentrum gebracht waar hij van boven tot onder onderzocht werd. Conclusie: een gebroken elleboog en een verbrijzeld linkerbovenbeen.
Hij zou dezelfde dag nog geopereerd worden.
Maar door een noodgeval ging het die woensdag niet door. Nadat manlief op zaal terecht was gekomen reed ik met mijn zwager naar huis om Anne op te halen. En wat spullen in een tas te flikkeren om bij mijn ouders te overnachten. Die wonen nl. vijf kilometer van het UMC vandaan.
De volgende dag werd manlief geopereerd. Waar de artsen nog een beste klus aan hadden. Ze moesten met zeven man aan zijn been gaan hangen om het enigszins even lang te krijgen als zijn rechterbeen. Het bot was in zeven grote en een heleboel kleine stukken gebroken. Met een pin van heup tot knie hebben ze de boel enigszins gerepareerd. Als in: we duwen alle stukken op z’n plek en hopen er het beste van.
De nacht na z’n operatie viel manliefs bloeddruk ineens weg. Hij voelde zich naar en drukte op de bel. ‘Zestig over veertig,’ prevelde de broeder, ‘u hoort niet eens meer bij bewustzijn te zijn!’ Maar manlief dacht:’Ik ga nu NIET dood. Ik heb een vrouw, een peuter en een babyontheway en ik ga vandaag NIET dood.’
En zo geschiedde. Zes jaar na dato leeft hij nog steeds met de vervelende gevolgen van dat ongeluk. Maar hij is er nog. En da’s wat telt.